Brabant voor Brabant

Verkiezings programma 2007 - 2011

1- Vooraf
 
 
2- Onze visie op Noord-Brabant
 
 
3- De politieke omgeving  
 
 
4- Brabant en de boeren
 
 
5- Het kan anders
 
 
6- Brabant en de economie
 
 
7- Brabant en de overheid
 
 
8- Sport en kunsten
 
 
9- Wonen en bouwen
 
 
10- Sociaal beleid
 
 
11- Het groene Brabant
 
 
12- Het verkeer en de drempelplaag  
 
 
13- Tot slot
 
 
 
 

1- Vooraf
 
De voorloper van de Brabantse Partij, de Brabantse Onafhankelijke Fractie (BOF), is ruim 20 jaar geleden opgericht door een aantal locale onafhankelijke partijen en zit al vanaf haar start in de Provinciale Staten van Noord-Brabant. De partijen die onze partij oprichtten waren van mening dat ook op provinciaal niveau het onafhankelijke stemgeluid moest worden gehoord. Onze partij heeft dan ook geen structurele banden met lokale en/of landelijke partijen, maar koestert de filosofie van “Partijen per niveau”.  
                                     
Dit houdt in dat goede persoonlijke contacten worden nagestreefd met andere onafhankelijke partijen op lokaal, provinciaal en landelijk niveau, maar dat iedere partij op het niveau waarop men actief is, zelfstandig blijft. Dat betekent dat de Brabantse Partij zich richt op de belangen van de inwoners van de provincie Noord-Brabant, zonder daarbij gebonden te zijn aan wisselende coalities van de dominante partijen.  
 
Dat is belangrijk. Nederland kent formeel drie bestuurslagen: landelijk, provinciaal en gemeentelijk, hoewel een nieuwe laag van regionale instituties zich steeds meer aftekent. Wat er landelijk en in de eigen woonplaats gebeurt, spreekt de burgers vooral aan, ook al vanwege de voelbare financiële gevolgen.  
De provincie is echter nog een grote onbekende. Dat ligt voor een deel aan de provincie zelf. Provincies zijn nogal in zichzelf gekeerd, maar deze situatie heeft ook alles te maken met hun bevoegdheden. Die zijn bestuurlijk van aard. De provincie communiceert met/via de gemeenten en het Rijk, maar bijna nooit rechtstreeks met de burgers.  
 
Dit kenmerk is niet als een pluspunt te beschouwen, want door de provincies wordt beslist waar wel of niet wordt gebouwd, hoeveel woningen een gemeente mag bouwen, hoeveel geld er naar de jeugdzorg gaat, welke bedrijventerreinen waar mogen worden aangelegd, hoeveel ruimte de landbouw krijgt, hoe de Eerste Kamer wordt samengesteld enz.
Allemaal beleidsgebieden die toch direct invloed hebben op het leven en welzijn van de burgers. Die zien echter niet dat het meestal de provincie is, die dat soort zaken bepaalt of daarop toezicht houdt. Dat moet naar onze mening veranderen, omdat sluipend het aanzicht van onze provincie wordt veranderd (in een richting die wij niet wensen) zonder dat de burgers dat beseffen. Deze tendens wordt met name in West-Brabant versterkt door de nieuwe respectievelijk verbeterde wegen- en railinfrastructuur tussen Antwerpen en Rotterdam, en de economische activiteiten die zich langs deze assen verder zullen gaan ontwikkelen.
 
De provincie heeft nog een andere belangrijke functie; die van intermediair. Zaken zoals cultuurbeleid, opleidingen, bedrijventerreinen en innovatie overschrijden de grenzen van de gemeenten en soms de provinciale of zelfs landsgrens. Het zijn vooral deze beleidsgebieden die ook voor de economische ontwikkeling van Noord-Brabant van groot belang zijn. Het is daarom een taak om belanghebbenden met elkaar in contact te brengen zodat er netwerken ontstaan, noodzakelijk om in onze complexe samenleving beheersbare ontwikkelingen mogelijk te maken. Een voorbeeld is het door de provincie geïnitieerde BrabantStad in welk netwerk de 5 grote steden in Noord-Brabant samenwerken. Net zoals het DELA-overleg - Driehoek Eindhoven, Leuven, Aken - in welk overleg het universitaire onderwijs vele zaken uitwisselt.
 
Vele ontwikkelingen hebben in het verleden tot meer en meer (= kwantiteit) geleid, wat niet altijd mooier of beter (= kwaliteit) inhield. De grenzen van wat nog binnen een menselijke maat past, zijn bijna overal bereikt. In de scholen en universiteiten, de grote steden, de uitdijende semi-overheid met telkens nieuwe fusies, de samenvoeging van gemeenten, de alsmaar groeiende bedrijventerreinen en in de agrarische ‘industrie’.
 
(Naar boven)

2- Onze visie op Noord-Brabant
 
Een politieke reden om ons specifiek op de belangen van Noord-Brabant te richten, is dat er machten en krachten bezig zijn, die de kwaliteit van wonen, leven en werken aantasten. Bij ongewijzigd beleid verandert West-Brabant in een geïndustrialiseerd en volgebouwd overloopgebied van Antwerpen en Rotterdam. Tegelijk verandert het buitengebied in een agrarisch industrieterrein en gaat de sociaal-culturele samenhang van onze provincie verloren.  
Een ander gevolg van deze situatie is dat de burgers zijn opgesloten in de steden en de dorpen, en dat het buitengebied een verloederde indruk maakt, waar steeds minder agrarische ondernemers een behoorlijke boterham verdienen.  
 
De Brabantse Partij baseert zich op het uitgangspunt dat de burger moet weten wat er aan de hand is en daardoor invloed kan hebben op de gebeurtenissen. Wij willen recht doen aan een leefbaarder eigen regio, die haar oorsprong en talenten erkent. Zeker nu we steeds meer deel uit gaan maken van één grote wereld die bovendien steeds dichter bij komt, is voeling met je wortels, daar waar je vandaan komt, erg belangrijk. Daarbij wordt de ‘menselijke maat’ weer een beleidsinstrument om gigantische concentraties en onoverzichtelijke structuren te voorkomen. Brabant is een goed merk wat we moeten promoten en uitbuiten.
 
Wij kiezen voor een provincie die uit gaat van wat er aan waarde is en wat beter kan. Een provincie die staat voor een beter leefklimaat, die confrontaties met het Rijk en de gemeenten niet uit de weg gaat als dat in het belang is van de (regionale) burgers. Een provincie die er van uit gaat dat men hier woont om te werken, te recreëren en op te groeien, die om die reden de mobiliteit haar grenzen laat vinden en die de kwaliteit van het leven laat prefereren boven de oude heilige huisjes, waaronder de agrarische industrie die al lang geen natuurlijke afscherming meer heeft, maar zelf een grote vervuiler is geworden.
 
De Brabantse Partij wil dat de middelste bestuurslaag niet een passieve tussenlaag is, maar staat voor de regio en voor de Brabanders. De meeste burgers weten niet wat de provincie doet en welke gevolgen provinciale besluiten hebben voor hun leven. Openbaar vervoer, jeugdzorg, wonen en bouwen, verkeerswegen, de inrichting van de ruimte, kunst- en cultuurbeleid, en waterbeheer zijn voorbeelden van beleid waar de provincie grote invloed op heeft. Dat provinciale beleid heeft er voor gezorgd dat de burgers zijn opgesloten in bestaande steden en dorpen en dat het buitengebied in snel tempo ‘verrommelt’ en steeds meer trekken krijgt van een groot agrarisch industrieterrein vol gezet met megastallen, kassencomplexen en omvangrijke bedrijventerreinen.
 
De Brabantse Partij is een felle tegenstander van die ontwikkeling. Wij zijn voor de Brabantse maat. In plaats van meer te willen, moeten we goed nadenken over beter. Naast kwantiteit ook kwaliteit; evenwicht dus. Onze provincie heeft nog veel cultuur en natuur. Dat is niet alleen aangenaam voor de inwoners, maar ook van groot belang voor een goede en moderne maatschappelijke ontwikkeling.  
 
Onze provincie heeft soms last van “de wet van de remmende voorsprong”. Na de 2e Wereldoorlog heeft Noord-Brabant zich zeer snel ontwikkeld van een arme tot een zeer welvarende provincie. De basis van dat succes was de agrarische sector. De keuterboer werd agrarisch ondernemer, de smederij veranderde in een machinefabriek, en het paard met wagen werd tot logistieke en transportbedrijven. Op grond van deze ontstaansgeschiedenis is Noord-Brabant een agrarische reus en de grootste industriële provincie van Nederland geworden. Door deze situatie wordt ook de huidige politieke machtsverdeling in onze provincie bepaald.  
 
Het huidige provinciale bestuur heeft geen echte visie op de verdere ontwikkeling van onze provincie. Natuurlijk zijn er goede initiatieven, maar de verdere uitbouw van onze provincie is teveel gebaseerd op een agrarisch-industriele “tunnelvisie”. Daarmee wordt de doorstart van de agrarisch-industriele samenleving naar een hoogwaardige technologische kennis- en dienstensamenleving, gefrustreerd.  
 
Varkenstallen, kippentorens en grootschalige glastuinbouw zijn geen agrarische bedrijven meer, maar industriële activiteiten en moeten ook als zodanig worden behandeld.
 
Boeren die anders willen zullen nieuwe producten, markten en diensten moeten ontwikkelen, en moeten hier dan ook planologisch en ruimtelijk de kans voor krijgen. Zij zijn in eerste instantie de economische dragers van het nog mooie open (cultuur)-landschap. Streekgebonden kwaliteitsproducten, zorgboerderijen, en boeren als natuurbewaarders of –beheerders. Hoeveel cultureel erfgoed is er al niet verdwenen? Hoeveel monumentale boerderijen zijn al niet in de puinbreker geëindigd?  
 
Het monumentenbeleid van het Rijk laat het meer en meer afweten. Dus zullen we er zelf voor moeten zorgen. Dat wat goed is, moeten we behouden. Want je weet niet altijd waarheen je gaat, maar het is beslist van belang te weten en te zien waar je vandaan komt. Dan kun je verder met respect en eerbied voor wat er was en bouwen aan de toekomst. Daarom pleiten wij ook voor een Brabantse ‘canon’.
 
Voor wat betreft de uitbouw van de industrie worden goede initiatieven genomen. De fenomenale ICT-ontwikkeling in Zuidoost Brabant is daarvan een voorbeeld. Niet alleen ICT maar ook de Nano-technologie is nieuwe industrie die wij naar Brabant zouden moeten halen en stimuleren. Dit zijn revolutionaire technologische innovaties die wij goed kunnen gebruiken in de oorspronkelijke Brabantse maakindustrie. Deze innovaties staan nu nog aan de vooravond van veelbelovende ontwikkelingen. Hetzelfde geldt voor ”Maintenance Valley” in West- en Midden Brabant, in welk netwerk delen van de bestaande vliegtuigindustrie zullen gaan samenwerken. De verwachting is, dat ook nieuwe bedrijvigheid op het gebied van de vliegtuigindustrie zich in die regio zal gaan vestigen. Wij zijn grote voorstander van deze ontwikkeling.
 
Wat echter totaal ontbreekt bij het dagelijkse bestuur van de provincie, is een visie op de economische vertaling van kwalitatieve menselijke behoeften. Zaken als sport, cultuur, ecologie, kunst, nieuwe vormen van wonen enzovoorts, worden als bijzaken en niet als economische mogelijkheden benaderd. Dat moet anders! En laten we de juiste werkgelegenheid op de juiste plek terecht laten komen. We moeten in Brabant weer overal op een duurzame manier kunnen werken, wonen, studeren en recreëren. Zonder dat we hiervoor ver weg moeten.
 
(Naar boven)  

3- De politieke omgeving  
 
De provincie Noord-Brabant wordt al decennia lang geregeerd door het CDA en de VVD gezamenlijk. Deze twee partijen houden elkaar keurig in de houdgreep. De VVD wil meer bedrijventerreinen en het CDA wil ten voordele van de boerenstand de baas zijn in het vele buitengebied dat onze provincie nog rijk is. Beide partijen ondersteunen elkaar bij hun streven.  
 
Vaak wordt er smalend gesproken over clans in Derdewereldlanden, die daar de dienst uitmaken. In Nederland is het niet anders. De landelijke partijen hebben, ook in Noord -Brabant, voor zichzelf een dergelijke situatie gecreëerd. Deze partijblokken werken net zo als de clans in de Derde wereld. Je moet je conformeren aan de macht van de clanoudsten en je clangenoten ondersteunen.  Pas dan kun je in aanmerking komen voor de vele te verdelen overheidsbaantjes.  
 
De bestuurlijke - en het semi-overheidgebieden die door de partijclans worden geclaimd, groeien nog steeds. Bij steeds meer benoemingen moet het juiste partijboekje worden getoond. Zo zijn er in Brabant uitsluitend burgemeesters benoemd, die lid zijn van een landelijke partij. Het laatste gebied dat zal worden binnengehaald, zijn de waterschappen. Ook daar mogen de politieke partijen, die zwaar worden gesubsidieerd door de staat, met partijlijsten komen. Dat door deze ontwikkeling 97% van de bevolking - omdat die geen lid zijn van de dominante partijen - buiten de boot valt, is volgens deze partijen een ‘logisch’ gevolg van ons politieke systeem.  
 
In Noord-Brabant wordt op gemeentelijk niveau erg veel op onafhankelijken gestemd. Dit stemgedrag komt desondanks nauwelijks tot uiting in de vervulling van maatschappelijke en bestuurlijke ambten in onze provincie.
Op lokaal niveau willen mensen zich nog wel eens betrokken voelen bij de gang van zaken. Verder is het vaak “wij en zij”. Deze vervreemding van het openbare bestuur heeft, los van allerlei onzinmaatregelen die vaak worden genomen of alleen aangekondigd, ook te maken met het gevoel bij de mensen dat ze zijn buitengesloten en dat de overheid ontoegankelijk is gemaakt. ‘Ze’ doen maar. ‘Ze’ trekken alles naar zich toe. ‘Ze’ verdelen de banen. ‘Ze’ verdelen het geld en dekken elkaar tegen klokkenluiders. ‘Ze’ zorgen erg goed voor zichzelf. ‘Ze‘ duiken weg voor hun fouten en verantwoordelijkheden. En dat gevoel, is naar onze mening ook terecht. Kortom, ‘Ze’ geven een heel slecht voorbeeld.  
 
(Naar boven)  

4- Brabant en de boeren
 
Omdat het beleid zo kortzichtig is, gaat de kwaliteit van de omgeving, de werkgelegenheid in de traditionele agrarische sector en de ruimte voor burgers om te bouwen achteruit. Omdat burgers en boeren vaak niet samengaan in verband met hindercirkels, maar ook door verzet tegen ongebreidelde lelijke uitbreiding van industriële ‘boerderijen’, zijn de burgers opgesloten binnen planologische grenzen.  
 
Als een burger iets doet in het buitengebied, wordt dat omschreven als verstening. Als een agrarische ondernemer iets groots neerzet, dat niet past in de natuurlijke omgeving of overlast veroorzaakt, dan heet dit toch duurzame ontwikkeling van het platteland. Zoek een goede plek voor de intensieve veeteelt en maak deze dan geavanceerd, veilig en duurzaam; maak waar dat mogelijk en aan de Brabantse maat is, speciale agrarische industrieterreinen.
 
De Brabantse Partij is niet tegen de landbouw, maar wel tegen de ontaarding die megastallen, varkensflats, zeeën van oplichtend glas en kippentorens tot gevolg heeft. Het merkwaardige is dat het antwoord van de ZLTO en het CDA op de inter-nationalisering er voor heeft gezorgd dat tienduizenden boeren met hun bedrijf hebben moeten stoppen. En vele duizenden zullen alsnog volgen. Toch slagen deze organisaties er in als boervriendelijk bekend te blijven staan.  
 
Bij het innemen van standpunten door onze partij is een belangrijk uitgangspunt dat de Brabantse maat intact blijft. Dit betekent zeker niet dat wij alles bij het oude willen laten en tegen vernieuwing zijn. Zo zijn wij vóór het concentreren van glastuinbouw,  varkensflats en kippentorens op speciaal daarvoor bestemde bedrijventerreinen. Dat soort agrarische activiteiten hebben niets meer met natuur te maken, maar zijn vormen van industriële productie. Nu gebeurt beide. Met de ‘worst’ van het tegengaan van de verrommeling van het buitengebied slagen CDA en VVD er in om iedereen achter het totale centralisatiebeleid te krijgen. Als dat binnen is wordt alsnog geregeld dat ook de nu verspreid liggende agrarische activiteiten (die dus gecentraliseerd zouden gaan worden) toch weer mogen uitbreiden.  
 
Het gevolg is dat het buitengebied kapot wordt gemaakt door er stallencomplexen van 2,5 hectaren en kassencomplexen van 6 hectaren te bouwen. Dat daar weer verbrede wegen naar toe moeten, wat weer erg veel (van uw) belastinggeld kost, dat op grote schaal karakteristieke boerderijen worden gesloopt en dat Noord-Brabant als mooie toeristische provincie in de toekomst steeds moeilijker te verkopen valt, speelt bij dit kortzichtig beleid kennelijk geen doorslaggevende rol.  
 
Het gevolg van dat beleid is echter dat steeds meer boeren moeten stoppen en dat de Brabantse kroonjuwelen worden verkwanseld.  
 
Het is in alle opzichten slecht beleid, gebaseerd op geestelijke luiheid. Je kunt er ook op wachten dat in de toekomst weer op kosten van de burgers ingrijpend zal moeten worden gesaneerd en gesloopt.  
 
Als voorbeeld noemen we de vele beken en riviertjes die op kosten van de burgers in het verleden zijn rechtgetrokken en gekanaliseerd om de agrarische sector “rationeler” te kunnen laten functioneren. Die burger moet nu weer uitgebreid gaan betalen om het er allemaal weer wat natuurlijker uit te laten zien en minder last van overstromingen te hebben.  
 
Een ander voorbeeld is de geweldige schade die, alweer met erg veel belastinggeld, is toegebracht aan het landschap door de vele ruilverkavelingen. Ook deze schade moet voor een deel weer ongedaan worden gemaakt door vele miljoenen belastinggeld te pompen in het herstel van dat landschap.  
 
Wij willen gewoon voorkomen dat er nog meer schade ontstaat. Naar onze mening dienen de huidige problemen opgelost te worden door de grote bedrijven te centraliseren, en tegelijk meer ruimte te geven aan de kleinere om nieuwe zaken te ontwikkelen, door onder andere minder regelgeving en hierdoor ook minder controle. We staan namelijk bol van overbodige regels en de bijhorende bureaucratie.
 
(Naar boven)  

5- Het kan anders
 
De meeste boerenbedrijven in Noord-Brabant zijn familiebedrijven. Deze bedrijven zullen onvermijdelijk worden weggevaagd door ontwikkelingen in andere delen van het land waar men op korte termijn echt grootschalig industrieel gaat produceren.
 
In Noord-Holland gaan ze al in het havengebied gesloten systemen bouwen, waarin 300.000 tot 500.000 varkens zullen worden opgefokt. Deze fabrieken worden gecombineerd met mestverwerking, champignonteelt enz. Het gevolg is meer dierenwelzijn, een veel efficiëntere infrastructuur en het onderlinge gebruik van energie.  
 
Door deze synergie, minder vervoerskosten en schaalvoordelen zullen de kleinere Brabantse varkensboeren de concurrentie niet aan kunnen en zal er een versnelde koude sanering plaats gaan vinden. Als wij in Brabant ook zulke megabedrijven op willen starten, dan gaat het slechts over meer en meer voor enkelen. Het kan alleen als dat wordt gedragen door onze eigen boeren en voor ons gevoel past bij de Brabantse maat en levenssfeer. Dit vereist dan wel visie bij de provinciale bestuurders!
 
Als er zou worden nagedacht dan moet het beleid ook gericht gaan worden op de agrarische stand als leverancier van nieuwe goederen en diensten. In de wat officiëlere stukken wordt e.e.a. aangeduid als ‘blauwe en groene’ diensten. Massavoedsel kunnen we overal kopen. Streekgebonden producten, mooie toeristische voorzieningen, zorgboerderijen, aangepast wonen en fraaie woonomgevingen met genoeg groen, zijn niet van ver te halen. In dat soort activiteiten zit bovendien werkgelegenheid.
 
De moderne economie zit ook niet te wachten op een verloederd landschap. Dat soort bedrijven is zeker bereid om natuur te creëren om zo op een prachtige locatie hun maatschappelijke betrokkenheid en kwaliteit uit te stralen.
 
Ook particulieren zijn zeker bereid om natuurgebieden te maken of te onderhouden, mits ze daar de nodige privacy op kunnen vinden. De huidige situatie is dat vermogende mensen in het buitenland huizen kopen en dat ze, als ze hier iets willen met hun eigen geld, alleen mogen bouwen wat politici en bestuurders willen en hun landgoederen moeten openstellen voor het publiek. Daarmee worden ze gedwongen om vanuit privé vermogen voorzieningen te creëren, die mede uit de algemene middelen zouden moeten worden gefinancierd. Niet bepaald inspirerend om de hand aan de ploeg te slaan.
 
De Brabantse Partij is voor vernieuwing, maar dan zonder het vernietigen van het vele waardevolle waar onze provincie nog over beschikt. Brabant heeft op veel plekken nog een prachtig landschap en veel cultureel erfgoed, ook in de bodem. Deze ‘kroonjuwelen’ dienen beschermd en, waar zinvol, uitgebreid te worden.
 
(Naar boven)

6- Brabant en de economie
 
De arbeidsmoraal is hoog in Brabant, ook als er ver buiten de provincie moet worden gewerkt. Onder andere daardoor doen we het ook zo goed. De Brabantse Partij is echter tegen het ongebreideld aanleggen van grote bedrijventerreinen. Beter is het zo zuinig mogelijk met de ruimte om te gaan en veel meer energie te steken in het revitaliseren (opknappen) van oudere bedrijventerreinen.  
 
Het Kempische bedrijventerrein is een voorbeeld van overbodige aanleg. Net over de grens in België ligt al een groot bedrijventerrein waar de grond veel goedkoper is en waar nog veel ruimte is uit te geven. Ga daar niet mee concurreren, maar zorg voor een goede regelgeving voor uitwisseling van zaken en personeel, zodat je in de Kempen het mooie landschap kunt behouden en de mensen er toch aan het werk kunnen.
 
Door de opdringerigheid en schreeuwerigheid van de nieuwe bedrijventerreinen zonder groen, lijkt het of de halve provincie volgebouwd is met bedrijfsgebouwen. Gezien de oppervlakte die door industriële bedrijvigheid wordt ingenomen, is dat niet juist. Dit effect kan worden tegengegaan door bij het gespreid aanleggen - daar waar nodig - van kleinschalige bedrijventerreinen en bij revitalisering van bestaande terreinen, de inpassing in het landschap een voorwaarde te laten zijn.
 
De provincie heeft veel taken op economisch gebied. Planologisch heeft de provincie een belangrijke taak maar ook in termen van financiering, voorwaardenscheppend beleid, begeleiding, voorlichting enz. worden door de provincie de nodige acties ondernomen. Dat gaat goed.  
 
Waar echter meer aan gedaan moet worden is deregulering. Afdelingen op het Provinciehuis werken elkaar tegen met wet- en regelgeving voor zowel de gemeenten als voor de burgers. Economische ontwikkeling is mensenwerk. En dat creatieve mensenwerk moet zo min mogelijk worden gehinderd door regelneven, heersertjes en overbodige controles. De Brabantse Partij zal, waar mogelijk, de neiging van machthebbers bestrijden om andere mensen in detail voor te schrijven wat ze wel of niet mogen doen.
 
Deregulering en integraal werken hebben een interessant inverdieneffect, zowel voor de overheden als voor het bedrijfsleven.  
 
(Naar boven)  
 
7- Brabant en de overheid
 
De ontwikkelingen in het provinciale bestuur laten twee kenmerken zien die eveneens de aandacht van de Brabantse Partij vragen. Dat zijn de vorming van regionale organisaties die zich tussen de provinciale en gemeentelijke niveaus bewegen, en de verminderde toegankelijkheid voor de burger die de overheid vraagt om verantwoording af te leggen.
 
Ondanks de Wet op de Openbaarheid van Bestuur wordt het de betrokken of belanghebbende burger steeds moeilijker gemaakt om inzage te krijgen in documenten die duidelijk kunnen maken wie verantwoordelijk is/zijn voor bepaalde besluiten. Bovendien worden falende ambtenaren ook ‘beschermd’ door het beroepsgeheim van hun collega’s, de Pikmeer-arresten en door hun riante wachtgeldregelingen. Weliswaar is er een klachtencommissie van Provinciale Staten, maar het gecontroleerde door zichzelf laten controleren is niet zuiver. Dit geldt bijv. ook voor de Stichting Jeugdzorg.
 
Klokkenluiders of onderzoek van klachten zijn daardoor zeldzame verschijnselen op provinciaal niveau. Integendeel, de recente wetgeving biedt de overheid steeds meer de mogelijkheid zich te onttrekken aan de plicht tot verantwoording tegenover niet-politieke groeperingen. Onderzoek naar jaarrekeningen, offertes/gunningen, machtsmisbruik, verspillingen, tarieven, overtredingen door ambtenaren e.d. lijkt nauwelijks plaats te vinden en in ieder geval (opzettelijk?) binnenskamers te worden gehouden.  
 
De burger moet dan naar de rechter stappen of zijn zaak voorleggen aan de Nationale ombudsman. Maar ook de rechter lijkt vaak de opvatting te koesteren dat de overheid altijd gelijk heeft. De meeste grote advocatenkantoren zien er al vanaf om nog tegen de overheid te procederen. Noord-Brabant zou daarom een andere benadering moeten kiezen: openheid, aandacht voor serieuze klachten en een provinciale ombudsman met steun van de provinciale rekenkamer.  
 
Het andere probleem betreft het toezicht op regionale organisaties zoals de waterschappen, politie, brandweer, Kinderbescherming, Jeugdzorg, “geprivatiseerde” energiebedrijven, etc. In vele gemeenten worden politiezaken alleen nog door de burgemeester en een ambtenaar behandeld. Corruptiegevallen en andere misdragingen (geweld, diefstal) worden intern door de politie ‘afgehandeld’, waarbij zelden sprake is van strafrechtelijke vervolging. Begroting en inzet van de politie onttrekken zich in toenemende mate aan politieke controle.
 
Hetzelfde geldt voor de waterschappen. Begroting en jaarrekening worden voor kennisgeving aangenomen, want de provincie heeft geen goedkeuringstaak meer. Ook het toezicht op de besteding van 38 miljoen euro per jaar door en het functioneren van de Kinderbescherming en Jeugdzorg toont toenemende afstandelijkheid bij de provincie. Want wie kennis heeft is verantwoordelijk, dus worden individuele klachten niet behandeld (andere klachten zijn er uiteraard niet).
 
De rol van gemeentes en provincie als aandeelhouders van energiebedrijven is eveneens een kwalijke. Tariefverhoging en zakkenvullerij kunnen gewoon doorgaan; niemand hoeft verantwoording af te leggen. Vergelijkbare ontwikkelingen zijn zichtbaar bij regionale brandweer/rampenbestrijding, maatschappelijke zorg, professionele sport (voetbalclubs), milieufederaties, GGZ etc. Veel subsidie, weinig toezicht. Intussen worden ook sociale diensten ‘geprivatiseerd’ en ‘geregionaliseerd’. De provincie zou actief toezicht moeten uitoefenen, zowel op de regionale semi-overheid en gesubsidieerde organisaties als op de gemeenten (bijv. jaarrekeningen, tarieven, grondprijs). Misstanden dienen op provinciaal niveau te worden onderzocht, waarbij de bescherming van ambtenaren tot normale proporties moet worden teruggebracht. Klokkenluiders dienen te worden beschermd en de provinciale overheid moet meer bereidheid tonen om verantwoording af te leggen, ook zonder dat een beroep wordt gedaan op de WOB.
 
(Naar boven)

8- Sport en kunsten
 
Wij zijn grote voorstanders van de ontwikkeling van een integrale visie en een samenhangend beleid, gericht op de kwaliteitsverbetering in kunst, cultuur en sport. Deze beleidsvelden worden vaak als ‘zacht’ omschreven. Doch het zijn vanuit vele invalshoeken juist harde sectoren die niet alleen bijdragen aan de kwaliteit van onze samenleving, maar tevens aan vorming, scholing en werkgelegenheid ten gunste van de aantrekkingskracht van Noord-Brabant.
 
Kunst en cultuur worden vaak gezien als een eenheid. Dat is onjuist. Cultuur is de manier waarop mensen met elkaar leven en respect voor elkaar tonen. Kunst in velerlei vormen, is een der uitingen van de spirituele kant van dat samenleven. Vaak worden kunst en cultuur gezien als zaken die alleen maar geld kosten. Doch alleen al qua werkgelegenheid zijn deze sectoren belangrijk. Ook als aantrekkelijke (economische) vestigingsfactor zijn kunst en cultuur van belang.  
 
Zonder kunst heeft een maatschappij last van geestelijke armoede, verlies van waarden en normen, en van een afnemend incasseringsvermogen. Cultureel beleid functioneert als het cement van de samenleving en kunst geeft er vorm aan. De vormgeving van onze gebruiksartikelen, de decors van tv-uitzendingen, de vormgeving van onze huizen. Alles van de mens wordt door inspiratie beroerd.
 
Ook m.b.t. de ontwikkeling van de cultuursector wreekt zich een gebrek aan visie. In onze provincie zijn veel cultuuropleidingen. Sommigen, zoals de Design Academy in Eindhoven, zijn van wereldniveau. Omdat er nauwelijks een ‘cultuurmarkt’ in Noord-Brabant is, trekken veel jongeren nadat zij hun opleiding hebben afgerond, weg richting Randstad. Wil daar wat aan gedaan worden, dan is een breed integraal beleid noodzakelijk, dat verder kijkt dan de varkensstaart lang is. Niet alleen streven naar een basis in het onderwijs, maar ook stimuleren van een markt voor cultuurconsumenten en begrip tonen voor de eisen die deze stellen aan hun leefomgeving.  
 
Vandaar dat wij ook een verklaarde voorstander zijn van het project BrabantStad als Culturele hoofdstad. Dit zet Brabant op de kaart in cultureel opzicht en biedt een win-win-situatie voor iedereen. Ook als we het onvoorzien niet zouden worden, zal er tegen die tijd veel energie zijn gestoken in cultuur, wat de leefbaarheid voor de Brabanders zeker zal bevorderen. Bewust en onbewust wordt een samenleving zowel mooier als ‘rijker’ van een goed cultureel leven.
 
Ook cultuur toegespitst op het behoud van het Brabantse eigene is belangrijk, omdat dit voor een deel de culturele identiteit van Noord-Brabant en haar bewoners heeft bepaald. Vervlakking is er al genoeg. Carnaval, de Brabantse waterlinie, gilden, kerkgebouwen, dialecten, fanfares, architectuur etc. geven voor een belangrijk deel vorm aan onze provincie. Voor cultuurbeleid geldt hetzelfde als voor ruimtelijk beleid. Het gaat ons om de Brabantse schaal en identiteit, waartoe ook ingeburgerde initiatieven – zoals jazzfestivals en de Bossche en Tilburgse cultuurprojecten – mogen worden gerekend.  
 
Verfraaiing van de omgeving (architectuur, stadsontwikkeling) kan eveneens bijdragen tot de culturele beleving. Daarbij wil de Brabantse Partij zich niet beperken tot het bestaande, mits de kwaliteit is gewaarborgd.
 
Een van de sectoren die extra aandacht behoeft is de sport. Er zijn in Noord-Brabant veel sportvoorzieningen. Zowel qua opleidingen, clubs en particuliere ondernemingen. Veel van die instellingen en bedrijven werken naast elkaar. Met een integrale benadering en een gericht ontwikkelingsbeleid zou ook de sportsector een gezonde expansie kunnen gaan meemaken. De combinatie van en samenwerking tussen clubs, fysiotherapeuten, onderwijs en bedrijfsleven.  
Los van de werkgelegenheid en het economische belang van kunst, cultuur en sport, veraangenamen deze ook de kwaliteit van het bestaan van mensen. Er zijn dus vele redenen om te bekijken hoe het oude behouden kan worden en nieuwe ontwikkelingen kunnen worden gestimuleerd.  
 
We zijn als Brabant altijd een van de beste ‘regio’s’ op Olympisch niveau. Dat alleen al moet genoeg zijn om meer in te zetten op sport en spel. Ook in het onderwijs. Want door samenwerking krijgt niet alleen de topsport een opzwieper, maar deze samenwerking werkt ook door naar de samenleving.  
 
Kinderen worden enthousiast door de prestaties van de bekende sporters, willen ook gaan sporten, leren sociale vaardigheden en worden gezonder dan als ze niet sporten. Ook bevordert het samenspel de integratie van diverse groepen (waaronder gehandicapten) in de samenleving. Scholing en industrie zorgen voor betere begeleiding van de sporter en van sportorganisaties. De commerciële aspecten van sport en de focus op slechts enkele ‘volkssporten’ moeten echter worden bestreden, teneinde de genoemde culturele voordelen te behouden.
 
(Naar boven)  

9- Wonen en bouwen
 
De Brabantse Partij is voorstander van het aantrekkelijker maken van het wonen, werken en leven in onze provincie. Naar onze mening is dat niet alleen goed voor de bewoners en eigenaren, maar door een verbeterd leef- en vestigingsklimaat, ook voor de economie.  
 
De Brabantse Partij streeft onder meer naar een andere verdeling van het grondgebruik in onze provincie. Wonen moet op veel meer en aantrekkelijker plekken mogelijk zijn. Ook dient meer duurzaam en levensloopbestendig te worden gebouwd. Door de wijze van ruimtelijke ordening, de hoge ambtelijke kosten van bouwbegeleiding (gemiddeld € 15.000,- per woning) en de, mede door schaarste, ongebreidelde grondprijzen, zijn ontwikkelingen van woonwijken waar fraaie huizen met grote tuinen staan, onbetaalbaar geworden.  
 
Om dezelfde redenen zijn goedkope woningen voor starters op de (koop)woningmarkt bijna niet meer te realiseren. Een huis in Nederland is aanzienlijk duurder dan gelijksoortige huizen in België en Duitsland. In Noord-Brabant kost dat zelfs minstens twee keer zo veel. Er dient een beleid te worden ontwikkeld waarbij grondprijzen en de kosten van ambtelijke begeleiding weer tot normale proporties worden teruggebracht. Veel agrariërs zullen straks (moeten) stoppen met hun activiteiten. Dat geeft de mogelijkheid om de oppervlakte, nu in gebruik door de agrarische sector, te hervormen. In de vrijkomende ruimte moet er meer plaats komen voor ‘groen’ wonen, recreëren en toegankelijke natuurgebieden.  
 
De Brabantse Partij wil beter gebruik maken van die ruimte. Dat kan door de bewoners meer ruimte rond het huis te bieden. Slechts 11% van ons land is bebouwd en/of verhard. Indien we er toe over gaan om de burgers optimaal betaalbare ruimte voor het dagelijkse leven toe te staan, kost dat de komende twintig jaar maximaal 1% extra ‘bebouwde’ ruimte. Een dergelijke ontwikkeling schept echter veel meer woon- en leefgenot, minder mobiliteit om naar buiten te trekken en heeft een veel beter groen leefklimaat tot gevolg.
 
Het krampachtige woningverdeelsysteem van de afgelopen decennia heeft de bouwmogelijkheden voor veel gemeenten gehinderd. Een ‘klantgericht’ provinciebestuur moet vertrouwen hebben en geven aan de burgers, dus ook aan gemeenten, om hier ieder met een eigen verantwoordelijkheid mee om te gaan. Een goed voorbeeld is het pilot-project ‘Bouwen binnen contouren’, dat voor de gehele provincie moet gaan gelden.  
Indien we onze dorpen toch klein en leefbaar willen houden, zouden er bindingseisen terug moeten komen in de vestigingswet. Ook de ideeën van de Vereniging Kleine Kernen zouden door het provinciebestuur eens serieus bestudeerd en overgenomen moeten worden.
 
In het bijzonder het bouwen in en bij kleinere kernen moet weer met regelmaat mogelijk worden, zodat deze aantrekkelijk en vitaal blijven. Hierdoor behouden we de sociale band tussen de ‘jongeren’ van vroeger en de jongeren van vandaag. De scholen en verenigingen krijgen weer meer bestaansrecht, en de zorg en aandacht voor elkaar een streepje erbij. Kleine stapjes, maar voor de kleine kernen zeer belangrijk.
 
Dat er in onze provincie veel ontwikkelaars en bouwers zijn gehuisvest, is historisch bepaald en in sommige opzichten een weldaad. Het is immers een utopie dat een gemiddelde inwoner zijn eigen maatwerk kan stichten met behoud van de gewenste kwaliteit. Confectie aangepast aan de persoonlijke wensen, vraaggericht bouwen genoemd, is met inzet van ontwikkelaars zeer goed mogelijk. Wel dient te worden gelet op de neiging van professionals om seriematig te bouwen, met als gevolg een zekere eenvormigheid. De in Noord-Brabant traditionele eigenbouw (zeker voor starters) dient te worden gestimuleerd en gefaciliteerd.  
 
De overheid dient zich voorts terughoudender op te stellen bij het zelf tot in detail opzetten van woonwijken en de invulling daarvan. Ambtenaren moeten geen huizen bouwen, maar maximaal voorwaarden scheppen voor anderen om dat te doen.
 
(Naar boven)  

10- Sociaal beleid
 
De provincie Noord-Brabant heeft diverse taken op het gebied van sociaal beleid. Jeugdzorg, ouderenzorg en voorwaardenscheppend werkgelegenheidsbeleid zijn de belangrijkste deeltaken. Een zo goed mogelijke integratie van nieuwkomers en Nederlanders met een allochtone achtergrond, is noodzakelijk om een aantal redenen. Het is menselijk, gastvrij, economisch wenselijk en het voorkomt een hoop gedoe in de toekomst.
 
Aan jeugdbeleid moet veel aandacht worden besteed, omdat voorkomen beter is dan genezen en omdat onze jeugd de toekomst is en heeft. Vandaar dat de Brabantse Partij voorstander is van een betere en verbrede jeugdzorg, met kwaliteitstoezicht door de provincie.  
 
Naar onze mening dienen de jongeren betrokken te worden bij de totstandkoming van voorzieningen die op hen zijn gericht. Voorbeeld hoe het niet moet, is dat jongeren hangplekken willen en dat overheden die vaak plannen op plekken waar je kan wachten op klachten van overlast.
 
Een onderzoek in 2004 van het ministerie van Onderwijs gaf aan dat de uitval van VMBO/MBO-leerlingen tussen 12 en 23 jaar gemiddeld 28 % bedraagt. En bij allochtonen ligt dit percentage nog hoger. Dit zal in Brabant niet veel anders zijn.
 
Eisen aan kwalificaties worden steeds hoger in onze ‘kenniseconomie’, dus kan men wel nagaan dat deze groep tussen wal en schip zal vallen met alle sociale consequenties vandien. Het is belangrijk aandacht aan jongeren te besteden, zeker ook aan allochtone jongeren die meer moeite hebben met bijvoorbeeld het vinden van een stageplaats.
 
Er zal een soort kaderprogramma moeten komen voor de diverse scholen (VMBO en MBO) en opleidingen hierbinnen, waardoor leerlingen opgevangen kunnen worden en er zoveel mogelijk aan gedaan wordt dat jongeren met een startkwalificatie (bij voorkeur MBO-niveau3) de arbeidsmarkt op kunnen.  
In het bijzonder zou een provinciaal kader afgesproken kunnen worden, waar vervolgens de regio’s c.q. het gemeentelijke niveau dan weer gebruik van kunnen maken en er een duidelijkheid naar leerlingen, maar ook naar bedrijven ontstaat.
 
De vergrijzing wordt vaak voorgespiegeld als een immens probleem. Wij zijn het daar in het geheel niet mee eens. Iets goeds als een hogere levensverwachting van de bevolking en een andere levensstijl onmiddellijk aanduiden als iets negatiefs of zelfs bedreigends, is typisch Nederlands. Het zou toch eens leuk kunnen zijn.  
 
Naar onze mening is ouder worden met de daaraan gepaard gaande vergrijzing, een spannende uitdaging. Vrijwilligerswerk, scholing voor senioren, advisering/coaching van opvolgers, internationale contacten, publiceren van mémoires, sponsoring van goede doelen, vrijetijdsbesteding; het zijn allemaal aspecten van een andere balans in de samenleving, waarbij voor bepaalde zaken – ook het genieten van natuur en cultuur – meer tijd en capaciteit beschikbaar komen.  
 
Door de ouder wordende bevolking zal de maatschappij sterk veranderen en er zullen nieuwe behoeften bij de consumenten ontstaan. Voor deze nieuwe behoeften zal door de provincie op de gebieden waarin zij actief is, een stimulerend beleid gevoerd moeten worden.  
 
Er wordt veel gepraat over verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, langer doorwerken enz. Het waarom ontgaat ons. Veel ouderen hebben hogere inkomens na pensionering dan veel jongeren. Waarom moeten die langer werken?  
 
Belangrijker is het om te kijken naar ouderen die onvrijwillig werkloos zijn en daardoor veel te lage inkomens hebben en ook geen goede oudedagsvoorziening kunnen opbouwen. De praktijk is dat werklozen boven de 55 jaar praktisch geen kans meer hebben op werk. De werkloosheid van 50 plussers neemt, mede daardoor, procentueel gezien opvallend toe. Er zijn wel wat initiatieven genomen om oudere werklozen aan werk te helpen. Het CWI (de vroegere arbeidsbureaus) kondigde recent een maatregel af dat er een honderdtal nieuwe consulenten zullen worden aangenomen om deze groep extra te begeleiden naar werk. Cynisch vraagje: zijn deze nieuwe consulenten 50+?
 
De provincie had op haar agenda ouderenbeleid staan. Hiervoor waren Werkwijzers in diverse plaatsen (Breda, Eindhoven, Den Bosch) opgezet. Van hieruit werd voorlichting gegeven en werden projecten uitgevoerd. Daarnaast was er het initiatief via de provincie "Ervaring werkt". Maar beide projecten zijn beëindigd. Nog lopende projecten worden afgerond en dat was het!
 
Het lijkt de Brabantse Partij zeer belangrijk dat er meer aandacht gaat worden besteed aan dit onderwerp. Immers, ook in Brabant zijn er veel 50+ers werkloos en dit aantal zal de komende jaren nog steeds stijgen. Het is belangrijk om in de Staten aan te sturen op gerichte en langdurige activiteiten voor de komende jaren gericht op het aan het werk helpen van oudere werklozen. En dan geen praat- maar doenactiviteiten waarvan de concrete uitvoering en resultaten worden gemeten. Niet initiatieven langs elkaar, maar één coördinatiepunt voor de diverse activiteiten door heel Brabant. Wij zullen op dit punt in de komende periode verschillende initiatieven gaan nemen.
 
Op het gebied van integratie tussen de verschillende bevolkingsgroepen is er geen brede taak voor de provincie. Als provinciale partij heeft de Brabantse Partij wel een taak. Wij kunnen er voor zorgen dat de verschillende groepen elkaar ontmoeten en leren kennen. In de komende periode zullen wij dan ook een aantal activiteiten organiseren, gericht op het onderling kennismaken van de verschillende groepen Brabanders.
Samen zijn we Brabant; en of je Brabander bent, voelt of wilt zijn, kun alleen jij zelf beantwoorden.
 
(Naar boven)  

11- Het groene Noord-Brabant
 
De Brabantse Partij is een groene balans partij, gericht op het behoud en, waar zinvol, uitbreiding van de natuur, zonder daar rigide tegenover te staan. Naar onze mening is veel en goede natuur zowel uit het oogpunt van gezondheid, als werkgelegenheidsobject in het kader van het toerisme, alsook als positieve vestigingsfactor voor bedrijven van het grootste belang. Het gaat ons dus niet alleen om de plantjes en de beestjes, maar om het evenwicht tussen de natuur en verstorende invloeden. Het gaat ons bovendien om een betere verdeling van de ruimte en tevens een mooiere invulling, waardoor er zowel voor mensen, dieren en planten als economie een gezondere en betere omgeving ontstaat.
 
Het was tot voor kort een trend om alle natuur open te stellen voor recreanten. Naar onze mening dient niet alle natuur toegankelijk te zijn. In het bijzonder de gebieden met kwetsbare biotopen kunnen op een natuurlijke manier ontoegankelijk worden gemaakt. Want alleen verbodsborden schrikken nieuwsgierige recreanten, hondenbezitters en crossmotorrijders namelijk niet af.
 
Daar staat tegenover dat vele gebieden wel toegankelijk moeten worden gemaakt. Het zo breed geroemde buitengebied is nu voor fietsers, wandelaars en ruiters vaak ontoegankelijk door de vele prikkeldraadversperringen. De bestaande fiets- en wandelpaden worden vaak geblokkeerd door nieuwe wegen en afgesloten spoorwegovergangen. Kortom, aan het behoud van de bestaande wandel-, fiets- en ruiterpaden dient door de aanleg van bruggen en tunnels aandacht te worden besteed.
 
Daarnaast dient naar onze mening een samenhangend nieuw netwerk van paden ten behoeve van bewoners en toeristen te worden opgezet. Dat kan o.a. door het bevorderen van het recreatieve medegebruik van oevers van onze vele riviertjes en de schouwpaden. Een andere mogelijkheid is om met behulp van een subsidieregeling meer agrariërs te interesseren voor het openstellen van agrarische gronden ter vergroting van de wandelmogelijkheden tussen de steden en dorpen en het buitengebied.
 
Ook het grond- en oppervlaktewater en de gevolgen daarvan voor de natuur, verdienen veel meer aandacht dan tot nu toe het geval is. Zoals bekend warmt de aarde op. Ook in Noord-Brabant zullen de gevolgen daarvan meer en meer merkbaar worden. Hogere temperaturen, felle regenbuien, overstromende rivieren en riviertjes zijn de eerste gevolgen. Dat is op zich een ongewoon verschijnsel in een provincie die last heeft van verdroging. Het feit dat er veel is en wordt gebouwd op plaatsen die van nature nat zijn en dat er veel oppervlakte is bestraat, heeft tot gevolg dat er bij meer regenwater overstromingsgevaar is.  
 
Ook hierbij kan de ontwikkeling dat veel boeren (moeten) stoppen, omgezet worden in winst. Noord-Brabant heeft te maken met het stroomgebied van de Maas en vele riviertjes die vanuit België onze provincie instromen. Nu is zoet water een kostbare grondstof aan het worden. Daar zouden we dus erg zuinig op moeten zijn.
 
Het gevolg van het gevoerde beleid is echter dat onze provincie last heeft van verdroging van de natuur, onder meer omdat in de landbouw veel grondwater als sproeiwater wordt gebruikt, veel beken en riviertjes zijn gekanaliseerd zodat het water snel kan worden afgevoerd, de landbouwgrond niet te drassig wordt en ten behoeve van de landbouw een grondwaterpeil wordt gehandhaafd dat lager is dan het oorspronkelijke peil. Boer volgt waterpeil i.p.v. peil volgt boer zou al op vele plaatsen tot verbetering kunnen leiden. De verdroging van de Brabantse Wal zou door overleg met België en de provincie Zeeland tot een goed einde gebracht moeten worden.
 
Naar onze mening dienen de verschillende invalshoeken te worden gecombineerd. Het weer laten meanderen van riviertjes en beken, het aanleggen van gebieden waarin al of niet tijdelijk overtollig water wordt opgevangen (retentiegebieden) en de aanleg van natuur- en recreatiegebieden kunnen samen een veiliger en mooiere provincie opleveren.
 
Naar de mening van de Brabantse Partij dient er veel verstandiger dan tot nu toe het geval is geweest, met water te worden omgegaan. Dat is ook mogelijk omdat er zowel op Europees, landelijk als locaal niveau een groot aantal ontwikkelingen in gang zijn gezet. Europa heeft een beleid vastgesteld waardoor het water weer schoon moet worden; landelijk is dat beleid vertaald in waterplannen voor de diverse stroomgebieden van onze rivieren, en locaal wordt dit alles weer vertaald in waterplannen.  
 
Deze ontwikkelingen geven de mogelijkheden om een samenhangend beleid te ontwikkelen en uit te voeren om het water schoner te maken, meer op te slaan, een  grotere rol te geven bij het creëren van natuur en het voor de mens veiliger te maken.
 
Waar ook meer aandacht aan dient te worden besteed is, waar in verband met het water wel of niet mag worden gebouwd. Dat geldt niet alleen voor woningen, maar ook voor bedrijventerreinen. Overigens, de andere zijde van het probleem, dat waterwingebieden soms worden geprojecteerd in gebieden waar industrieterreinen liggen, lijkt ons ook zeer ongewenst.
 
Wij zijn er geen voorstander van dat de Waterschappen worden opgeheven en opgaan in de Provincies. Waterbeheer dient, gezien de veiligheidsaspecten, geen onderdeel te zijn van afwegingen ten opzichte van andere beleidssectoren. Ook hebben wij niet het idee dat alles door een dergelijke maatregel goedkoper en efficiënter zal gaan werken. Integendeel.
 
Wel zijn wij er voorstander van dat de invloed van de agrariërs en van milieugroeperingen in de besturen van de waterschappen verder wordt terug gedrongen, en dat de provincie het financiële toezicht niet verwaarloost. Waterbeheer is te belangrijk om gedomineerd te worden door enkele belangengroepen die toch eenzijdiger afwegingen maken dan andere delen van de samenleving.
 
Jarenlang is door velen gedacht dat de mens de natuur zou kunnen beheersen. Dat blijkt vermetel denken te zijn geweest. We mogen hopen dat het zeewater maar met 60 cm stijgt en dat de klei door alle bemaling niet te ver inklinkt. Naar onze mening dient het beleid drastisch te veranderen. Water en natuur dienen de benodigde ruimte te krijgen. We moeten niet meer bouwen op plaatsen waar de waterhuishouding er nadeel van ondervindt en/of land kan overstromen. Voorts moet aan het verspillen van de grondstof én levensbehoefte water een eind worden gemaakt.
 
(Naar boven)  

12- Het verkeer en de drempelplaag  
 
De Brabantse Partij is voor gratis openbaar vervoer en gereduceerde tarieven voor nog nader te definiëren doelgroepen, bijv. senioren en de jeugd tot en met zeventien jaar. Deze laatste groep valt anders tussen wal en schip. Men is bezig om dit gratis te maken voor personen tot en met zestien jaar, maar (studerende) jongeren krijgen pas vanaf hun achttiende een OV-jaarkaart
Gratis is overigens een betrekkelijk begrip. Er zal altijd ergens betaald worden. De reden dat we voor gratis openbaar vervoer voor sommige groepen zijn, is dat daardoor de mobiliteit van mensen zonder auto verbetert en de bereikbaarheid van het buitengebied met de daarin gelegen kernen vergroot wordt. Een sterk gereduceerde tarief voor forensen zal bovendien het dagelijkse autogebruik helpen terugdringen ten gunste van de filebestrijding. Ook het milieu zal er wel bij varen.  
Beide positieve effecten komen uiteindelijk iedereen ten goede. Dat openbaar vervoer zal echter ook goed, regelmatig (en ook voor gehandicapten) toegankelijk moeten zijn, o.a. op basis van een te realiseren fijnmazig netwerk van regionale wegen.  
 
Er zijn ideeën ontwikkeld om het railpersonenvervoer tussen de Brabantse steden verder uit te bouwen. Deze ontwikkeling - gecombineerd met busvervoer, taxibussen en de taxihopper - heeft een efficiënter netwerk tot gevolg dat al een aantrekkelijk alternatief voor het privé-vervoer kan opleveren.
 
Voor wat betreft het vrachtvervoer moet worden bekeken of de Brabantse rivieren en kanalen zodanig verbeterd kunnen worden, dat er meer volume over vervoerd kan worden. Wij zijn dan ook erg positief over de Visie Vaarwater die afgelopen periode is vastgesteld en waarvoor nu hopelijk snel de schop in de grond gaat.
 
Het wegennet moet uiteraard veilig zijn. Maar de Brabantse Partij is fel tegen de plaag van drempels die onze provincie op een zeker moment hebben overwoekerd. We krijgen de indruk dat een stel bureaucraten heeft besloten dat drempels het middel bij uitstek zijn om het aantal verkeersdoden naar beneden te krijgen, ook buiten de bebouwde kom.  
 
De bereikbaarheid van dorpen onderling, de veiligheid, leefbaarheid en het terug dringen  van extra milieuvervuiling door optrekken en afremmen voor te hoge drempels staan door die onzinmaatregel onder druk. Nog afgezien van de schade(claims), omdat veel drempels niet passen bij de aangegeven maximumsnelheid. Ook is onvoldoende rekening gehouden met negatieve bijeffecten als lawaaioverlast, extra luchtverontreiniging, extra fijnstof en de extra slijtage (schokdempers, remmen) aan auto’s.
 
Er zijn situaties waarbij drempels onvermijdelijk zijn. Bijvoorbeeld in woonbuurten kunnen, in samenspraak met de bewoners, allerlei snelheidsremmende maatregelen worden genomen, waaronder drempels. Maar ook specifieke bestrating, bochten, wegvernauwingen met tijdige en duidelijke voorrangsregelingen, evenals uitzichtbelemmerende beplanting, kunnen prima hulpmiddelen zijn om de snelheid naar beneden te krijgen. We hebben het hier over het “Natuurlijk Sturen”.
 
Anders is het met het onderliggende wegennet (OWN). Dit is gemaakt om er voor te zorgen dat het lokale verkeer gemakkelijk en vlot kan doorstromen, en gebruik maakt van deze wegen.  
Door de drempels zijn de burgers méér van de rond- en randwegen gebruik gaan maken. Daardoor lopen de ring- en regionale wegen eerder vol en dat heeft weer nadelen voor de doorstroming op en vanaf de snelwegen met als gevolg de roep om meer asfalt. Daarom wordt ook steeds meer gepleit voor een tweeledig snelwegennet rond steden; één als ‘ringweg’ voor regionaal verkeer en een met een zeer beperkt aantal op- en afritten voor het doorgaande snelverkeer.  
 
Los van de lawaaioverlast voor de omgeving, extra CO2-uitstoot en soms gevaarlijke situaties voor de weggebruikers, is de bruikbaarheid voor de openbare diensten van het onderliggende wegennet er niet beter op geworden. Voor bussen, ambulances, de brandweer enz. is het zelfs bijna een onmogelijkheid geworden in het gewenste tempo de bestemming te bereiken.  
 
Ook is het secundaire wegenstelsel mede ervoor bedoeld dat - als zich een calamiteit op de snelweg voordoet - deze wegen de omgeleide verkeersstroom kunnen opvangen. Dat kan nu dus niet. We pleiten daarom voor een robuust onderliggend wegennet dat de doorstroming bevordert. En dat daar waar 60/70km-wegen zijn, deze snelheid ook gereden kan worden.
 
Het aanleggen van drempels is tevens een verkapte bezuinigingsmaatregel. Door deze drempels, rode banen aan de zijkanten van de wegen en maximale snelheden heeft men lippendienst bewezen aan de verkeersveiligheid. De overheid hoeft dan geen fiets- en wandelpaden aan te leggen. Het gevolg is een mengeling van fietsen, brommers, motoren, voetgangers, vrachtwagens en agrarische voertuigen op de secundaire wegen.  
 
Deze maatregelen dienen te worden vervangen door de aanleg van fiets- en wandelpaden en meer rotondes. Handhavingsbeleid zal ook werken.
 
Noord-Brabant zal voorts moeten inspelen op het feit dat wij een transitoprovincie zijn. Aan de A2 en A4 wordt hard gewerkt, maar daarmee zijn de problemen niet opgelost. Vooral de verkeersproblematiek rond Eindhoven dient zodanig te worden opgelost dat die recht doet aan mens, economie en natuur. Dat kan onder meer door de bestaande ruit te verbeteren en van de weg ’s Hertogenbosch naar Helmond v.v. snelweg te maken. Ook de N69 van Eindhoven naar België moet sterk worden verbeterd.
 
Voor een goede aanpak van de verkeersproblematiek rond Eindhoven dienen gemeenten, provincie en rijk hecht samen te werken en de problemen in samenhang te bekijken, waarbij kwaliteit van de woonomgeving van de betrokken burgers uitgangspunt moet zijn. Alleen zo zal er een oplossing kunnen komen, die recht doet aan het huidige gevoel bij veel bewoners van de betrokken gebieden, dat economische groei met de daarmee samenhangende mobiliteit per definitie kaalslag van hun leefomgeving betekent.  
 
(Naar boven)  

13- Tot slot
 
Het voorliggende programma is een momentopname. Het wordt gebruikt als leidraad voor de vertegenwoordigers van de Brabantse Partij in de komende zittingsperiode van Provinciale Staten en om voorlichting te geven over de uitgangspunten van de partij. Meningen en specifieke standpunten zijn echter veranderlijk en omstandigheden of criteria kunnen wijzigen. Dat geldt dus ook voor dit programma. Wij zullen het blijven aanpassen aan de regionale behoeften en aan nieuwe inzichten en ontwikkelingen.

Aloysia Jetten
Lijsttrekker en nu fractie voorzitter Brabantse partij